Terug naar Korte berichten 4 October 2022

EHRM oordeelt bankstukken buiten waarborg tegen zelfincriminatie (‘nemo tenetur’)

Geschreven door: Vanessa Huygen

EHRM oordeelt bankstukken buiten waarborg tegen zelfincriminatie (‘nemo tenetur’)

Vandaag heeft het Mensenrechtenhof (EHRM) geoordeeld in een Nederlandse zaak waarin bankstukken van de belastingplichtige zijn afgedwongen en die vervolgens zijn gebruikt voor het opleggen van een boete. De centrale vraag is: is dat afdwingen toegelaten, of maakt het verkrijgen via dwang of druk op de belastingplichtige de stukken ‘wilsafhankelijk’?

 

De Nederlandse lijn is steeds geweest dat doorslaggevend is of de stukken al bestonden of niet. De EHRM lijn leek een andere, namelijk de vraag of de autoriteiten "niet in staat of niet bereid" waren geweest deze te verkrijgen met andere middelen dan de belastingplichtige zelf tot het leveren van bewijs tegen hemzelf te dwingen.

In mijn ogen maakt het EHRM – althans de Vierde Kamer – nu een draai, door wanneer het gaat om ‘financieelrechtelijke aangelegenheden’ te oordelen dat het afdwingen van bewijs voor het opleggen van een (fiscale) boete toch mag.

  • Het moet daarbij wel gaan om reeds bestaande documenten – dus documenten die niet zijn opgesteld als bewijsmateriaal, documenten die niet zijn opgesteld als gevolg van de dwang in het kader van de strafprocedure.
  • Bovendien moet het gaan om documenten waarvan de autoriteiten het bestaan kennen. Wanneer autoriteiten trachten een persoon te dwingen documenten over te leggen waarvan zij menen dat zij moeten bestaan, hoewel zij daar niet zeker van zijn is namelijk sprake van een ontoelaatbare “fishing expedition.”

In deze zaak ging het om het gebruik van bankafschriften en portefeuilleoverzichten die door X Bank waren opgesteld en betrekking hadden op een rekening waarvan de belastingplichtige al als rekeninghouder was geïdentificeerd. Het Hof ziet in deze zaak daarom geen schending van de waarborg tegen zelfbeschuldiging.

En nu?

Dit oordeel is nog niet definitief. Het betreft een arrest van de Vierde Kamer, waartegen nog binnen drie maanden een beroep bij de Grote Kamer kan worden ingesteld. De kans is zeer reëel dat dat beroep zal worden ingesteld. Gebeurt dat niet of wordt het beroep afgewezen, dan wordt dit oordeel definitief.

 

76.  Where the use of documentary evidence obtained under threat of penalties in the context of financial law matters is concerned, it may further be deduced from the Court’s case-law (see paragraphs 69-73 above), that such use does not fall within the scope of protection of the privilege against self incrimination where the authorities are able to show that the compulsion is aimed at obtaining specific pre-existing documents – thus, documents that have not been created as a result of the very compulsion for the purpose of the criminal proceedings – which documents are relevant for the investigation in question and of whose existence those authorities are aware. That situation is to be distinguished from the situation where the authorities attempt to compel an individual to provide the evidence of offences he or she has allegedly committed by forcing him or her to supply documents which they believe must exist, although they are not certain of it (see Funke, cited above, § 44, and J.B. v. Switzerland, cited above, § 69). The latter situation the Court has described as “fishing expeditions”. (...)

Vertaling (DeepL):

76.  Wat betreft het gebruik van bewijsstukken die onder bedreiging met sancties zijn verkregen in het kader van financieelrechtelijke aangelegenheden, kan uit de rechtspraak van het Hof (zie de punten 69-73 hierboven) voorts worden afgeleid dat een dergelijk gebruik niet onder de bescherming van het recht tegen zelfbeschuldiging valt wanneer de autoriteiten kunnen aantonen dat de dwang is gericht op het verkrijgen van specifieke reeds bestaande documenten – dus documenten die niet zijn opgesteld als bewijsmateriaal, documenten die niet zijn opgesteld als gevolg van de dwang in het kader van de strafprocedure, die relevant zijn voor het betrokken onderzoek en waarvan de autoriteiten het bestaan kennen. Deze situatie moet worden onderscheiden van de situatie waarin de autoriteiten trachten een persoon te dwingen het bewijs te leveren van strafbare feiten die hij zou hebben gepleegd, door hem te dwingen documenten over te leggen waarvan zij menen dat zij moeten bestaan, hoewel zij daar niet zeker van zijn (zie het arrest Funke, reeds aangehaald, § 44, en het arrest J.B. tegen Zwitserland, reeds aangehaald, § 69). Deze laatste situatie heeft het Hof omschreven als “fishing expeditions”. (...)

 

https://www.linkedin.com/posts/huygenvandyck_ehrm-bankstukken-buiten-activity-6983070737355972608-O2l_

 

Vertaling (DeepL) beoordeling van het Hof (§ 60-88):

https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-219556

FOURTH SECTION

CASE OF DE LEGÉ v. THE NETHERLANDS

(Application no. 58342/15)

JUDGMENT

 

Art 6 § 1 (criminal) • Fair hearing • Use of bank documents, for the re-setting of a tax fine, obtained from the applicant by a judicial order for disclosure, on pain of penalty payments, not within the scope of privilege against self-incrimination • Scope and application of the privilege concerning coercion in supplying documents in financial law context • Both prerequisites for the applicability of the privilege met in the circumstances • Authorities aware of pre-existing documents establishing holding of foreign bank account when seeking judicial order for disclosure • Judicial order specifically indicating documents to be supplied • Imposition of penalty payments in event of non-compliance with the judicial order not amounting to treatment in breach of Art 3

 

 

STRASBOURG

 

4 October 2022

 

This judgment will become final in the circumstances set out in Article 44 § 2 of the Convention. It may be subject to editorial revision.

 

NL vertaling

VIERDE AFDELING

ZAAK VAN DE LEGÉ tegen NEDERLAND

(Verzoekschrift nr. 58342/15)

ARREST

 

Art. 6, lid 1 (strafrechtelijk) - Eerlijk proces - Gebruik van bankdocumenten, voor de verrekening van een fiscale boete, van verzoekster verkregen door een rechterlijk bevel tot openbaarmaking, op straffe van dwangsommen, niet binnen werkingssfeer van privilege tegen zelfbeschuldiging - Omvang en toepassing van het privilege betreffende dwang om documenten te verstrekken in financieelrechtelijke context - Beide voorwaarden voor toepasselijkheid van het privilege in de gegeven omstandigheden vervuld - Autoriteiten op de hoogte van reeds bestaande documenten waaruit bezit van buitenlandse bankrekening blijkt wanneer zij rechterlijk bevel tot openbaarmaking vragen - Rechterlijk bevel dat specifiek de te verstrekken documenten vermeldt - Oplegging van dwangsom in geval van niet-naleving van rechterlijk bevel geen behandeling in strijd met artikel 3

STRAATSBURG

 

4 oktober 2022

 

Dit arrest wordt definitief in de omstandigheden bedoeld in artikel 44, lid 2, van het Verdrag. Het kan redactioneel worden herzien.

 

[binnen drie maanden na datum arrest is beroep mogelijk bij de Grand Chamber]

2.         The Court’s assessment

(a)  General principles

(i)     The right to a fair trial under Article 6 § 1 of the Convention

60.  The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule but must depend on the circumstances of the particular case (see O’Halloran and Francis v. the United Kingdom [GC], nos. 15809/02 and 25624/02, § 53, ECHR 2007?III). The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Beuze v. Belgium [GC], no. 71409/10, § 120, 9 November 2018).
 

61.  Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case having regard to the development of the proceedings as a whole and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings (see, inter alia, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 251, 13 September 2016, and Beuze, cited above, §§ 121-22).


62.  The Court has found that cases concerning tax surcharges – or tax fines – differ from the hard core of criminal law for the purposes of the Convention, and that, consequently, the guarantees of Article 6 under its criminal head will not necessarily apply with their full stringency (see Jussila, cited above, § 43; Segame SA v. France, no. 4837/06, § 59, ECHR 2012 (extracts); Chap Ltd v. Armenia, no. 15485/09, §§ 41 and 44, 4 May 2017; and, in the context of a complaint under Article 4 of Protocol No. 7, A and B v. Norway [GC], nos. 24130/11 and 29758/11, § 133, 15 November 2016).

 

2.         De beoordeling van het Hof

(a) Algemene beginselen

(i) Het recht op een eerlijk proces krachtens artikel 6, lid 1, van het Verdrag

60.  Het recht op een eerlijk proces krachtens artikel 6, lid 1, is een onvoorwaardelijk recht. Wat een eerlijk proces is, kan echter niet worden bepaald aan de hand van één uniforme regel, maar moet afhangen van de omstandigheden van het concrete geval (zie O'Halloran en Francis tegen het Verenigd Koninkrijk [GC], nrs. 15809/02 en 25624/02, § 53, EHRM 2007 III). De primaire zorg van het Hof op grond van artikel 6, lid 1, is de beoordeling van het algemene eerlijke verloop van de strafprocedure (zie onder meer Beuze/België [GC], nr. 71409/10, § 120, 9 november 2018).

61.  De naleving van de vereisten van een eerlijk proces moet in elke zaak worden onderzocht met inachtneming van het verloop van de procedure als geheel en niet op basis van een geïsoleerde beschouwing van één bepaald aspect of één bepaald incident, hoewel niet kan worden uitgesloten dat een specifieke factor zo doorslaggevend kan zijn dat de eerlijkheid van het proces in een eerder stadium van de procedure kan worden beoordeeld (zie onder meer Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk [GC], nrs. 50541/08 en 3 andere, § 251, 13 september 2016, en Beuze, reeds aangehaald, §§ 121-22).

62.  Het Hof heeft vastgesteld dat zaken betreffende belastingtoeslagen - of fiscale boetes - verschillen van de harde kern van het strafrecht in de zin van het Verdrag, en dat bijgevolg de waarborgen van artikel 6 onder het strafrechtelijk hoofd daarvan niet noodzakelijkerwijs met hun volle strengheid van toepassing zullen zijn (zie Jussila, reeds aangehaald, § 43; Segame SA/Frankrijk, nr. 4837/06, § 59, EHRM 2012 (uittreksels); Chap Ltd tegen Armenië, nr. 15485/09, §§ 41 en 44, 4 mei 2017; en, in het kader van een klacht op grond van artikel 4 van Protocol nr. 7, A en B tegen Noorwegen [GC], nrs. 24130/11 en 29758/11, § 133, 15 november 2016).

 

(ii)   General approach to the privilege against self-incrimination

63.  The Court has held that the right to remain silent and the right not to incriminate oneself are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6 of the Convention. Their rationale lies, inter alia, in the protection of the accused against improper compulsion by the authorities, thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfilment of the aims of Article 6 (see Ibrahim and Others, cited above, § 266).
 

64.  The privilege against self-incrimination does not protect against the making of an incriminating statement per se but against the obtaining of evidence by coercion or oppression. In this latter context, the Court has held as follows in its judgment in Ibrahim and Others (cited above, § 267, with further references):

“... The Court, through its case-law, has identified at least three kinds of situations which give rise to concerns as to improper compulsion in breach of Article 6. The first is where a suspect is obliged to testify under threat of sanctions and either testifies in consequence or is sanctioned for refusing to testify. The second is where physical or psychological pressure, often in the form of treatment which breaches Article 3 of the Convention, is applied to obtain real evidence or statements. The third is where the authorities use subterfuge to elicit information that they were unable to obtain during questioning.”

 

65.  For an issue to arise from the perspective of the protection against self-incrimination, therefore, an applicant must firstly have been subject to some form of coercion or compulsion by the authorities (see, for example, Serves v. France, 20 October 1997, § 47, Reports 1997-VI, and Bykov v. Russia [GC], no. 4378/02, § 102, 10 March 2009). Secondly, for a case to fall within the scope of protection of the right not to incriminate oneself, either that compulsion must have been applied for the purpose of obtaining information which might incriminate the person concerned in pending or anticipated criminal proceedings against him or her, or the case must concern the use of incriminating information compulsorily obtained outside the context of criminal proceedings in a subsequent criminal prosecution (see Weh v. Austria, no. 38544/97, §§ 42-43, 8 April 2004; see also Wanner v. Germany (dec.), no. 26892/12, § 24, 23 October 2018).

66. The underlying principle for this is the fact that the right not to incriminate oneself presupposes, in particular, that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resorting to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused. In this sense the right is closely linked to the presumption of innocence contained in Article 6 § 2 of the Convention (see Saunders, cited above, § 68).

 

67.  The right not to incriminate oneself is primarily concerned, however, with respecting the will of an accused person to remain silent. As commonly understood in the legal systems of the Contracting Parties to the Convention and elsewhere, it does not extend to the use in criminal proceedings of material which may be obtained from the accused through the use of compulsory powers but which has an existence independent of the will of the suspect such as, inter alia, documents acquired pursuant to a warrant, breath, blood and urine samples and bodily tissue for the purpose of DNA testing (see Saunders, cited above, § 69; Kaln?nien? v. Belgium, no. 40233/07, § 52, 31 January 2017; Sršen v. Croatia (dec.), no. 30305/13, § 44, 22 January 2019; and El Khalloufi v. the Netherlands (dec.), no. 37164/17, §§ 38-40, 26 November 2019). However, where such evidence has been obtained by a measure which breaches Article 3, the privilege against self-incrimination remains applicable (see also Jalloh, cited above, §§ 105, 108, 115-16).
68.  In cases where the privilege against self-incrimination is applicable (see Jalloh, cited above, §§ 110?13), the Court has held – noting that the right not to incriminate oneself is not absolute (see Heaney and McGuinness v. Ireland, no. 34720/97, § 47, ECHR 2000?XII; Weh, cited above, § 46, and O’Halloran and Francis, cited above, § 53) – that the degree of compulsion applied will be incompatible with Article 6 where it destroys the very essence of the privilege (see John Murray v. the United Kingdom, 8 February 1996, § 49, Reports 1996?I). Not all direct compulsion will destroy the very essence of the privilege against self-incrimination and thus lead to a violation of Article 6. In examining whether, in a given procedure, compulsion has extinguished the very essence of this privilege, the Court will consider, in particular, the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedure and, crucially, the use to which any material so obtained is put (see, for instance, Allan v. the United Kingdom, no. 48539/99, § 44, ECHR 2002?IX; Jalloh, cited above, § 101; and Ibrahim and Others, cited above, § 269).

(ii) Algemene benadering van het privilege tegen zelfbeschuldiging

63.  Het Hof heeft geoordeeld dat het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen algemeen erkende internationale normen zijn die de kern vormen van het begrip eerlijke procedure in de zin van artikel 6 van het Verdrag. De ratio ervan ligt onder meer in de bescherming van de verdachte tegen ongepaste dwang door de autoriteiten, waardoor wordt bijgedragen tot het voorkomen van gerechtelijke dwalingen en tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 6 (zie Ibrahim e.a., reeds aangehaald, § 266).

64.  Het privilege tegen zelfbeschuldiging beschermt niet tegen het afleggen van een belastende verklaring op zich, maar tegen het verkrijgen van bewijs door dwang of onderdrukking. In dit laatste verband heeft het Hof in zijn arrest Ibrahim e.a. (reeds aangehaald, § 267, met verdere verwijzingen) als volgt geoordeeld:

"... Het Hof heeft in zijn rechtspraak ten minste drie soorten situaties onderscheiden die aanleiding geven tot bezorgdheid over ongeoorloofde dwang in strijd met artikel 6. De eerste is wanneer een verdachte onder dreiging van sancties wordt gedwongen te getuigen en dientengevolge getuigt of wordt bestraft omdat hij weigert te getuigen. In de tweede plaats wordt fysieke of psychologische druk uitgeoefend, vaak in de vorm van een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag, om echte bewijzen of verklaringen te verkrijgen. Ten derde gebruiken de autoriteiten een list om informatie te verkrijgen die zij tijdens het verhoor niet konden verkrijgen.

65.  Wil een vraagstuk vanuit het oogpunt van de bescherming tegen zelfbeschuldiging aan de orde zijn, dan moet een verzoeker dus in de eerste plaats onderworpen zijn geweest aan een vorm van dwang of drang door de autoriteiten (zie bijvoorbeeld Serves/Frankrijk, 20 oktober 1997, § 47, Reports 1997-VI, en Bykov/Rusland [GC], nr. 4378/02, § 102, 10 maart 2009). In de tweede plaats moet, wil een zaak binnen de werkingssfeer van de bescherming van het recht om niet tegen zichzelf te getuigen vallen, ofwel de dwang zijn toegepast met het oog op het verkrijgen van informatie die de betrokkene in een tegen hem lopende of te verwachten strafprocedure zou kunnen belasten, ofwel de zaak betrekking hebben op het gebruik van belastende informatie die onder dwang buiten het kader van een strafprocedure is verkregen, in een latere strafvervolging (zie Weh/Oostenrijk, nr. 38544/97, §§ 42-43, 8 april 2004; zie ook Wanner/Duitsland (dec.), nr. 26892/12, § 24, 23 oktober 2018).

66.  Het onderliggende beginsel hiervoor is het feit dat het recht om zichzelf niet te beschuldigen met name veronderstelt dat het openbaar ministerie in een strafzaak zijn zaak tegen de verdachte tracht te bewijzen zonder gebruik te maken van bewijsmateriaal dat is verkregen door middel van methoden van dwang of onderdrukking in weerwil van de wil van de verdachte. In die zin is het recht nauw verbonden met het vermoeden van onschuld in artikel 6, lid 2, van het Verdrag (zie Saunders, reeds aangehaald, § 68).

67.  Het recht om zichzelf niet te beschuldigen heeft echter in de eerste plaats betrekking op de eerbiediging van de wil van een verdachte om te zwijgen. Zoals in de rechtsstelsels van de verdragsluitende partijen en elders gebruikelijk is, strekt het zich niet uit tot het gebruik in strafprocedures van materiaal dat van de verdachte kan worden verkregen door het gebruik van dwangmiddelen, maar dat een bestaan heeft onafhankelijk van de wil van de verdachte, zoals onder meer documenten die op grond van een arrestatiebevel zijn verkregen, adem-, bloed- en urinemonsters en lichaamsweefsel voor DNA-onderzoek (zie Saunders, reeds aangehaald, § 69; Kaln?nien?/België, nr. 40233/07, § 52, 31 januari 2017; Sršen tegen Kroatië (dec.), no. 30305/13, § 44, 22 januari 2019; en El Khalloufi tegen Nederland (dec.), no. 37164/17, §§ 38-40, 26 november 2019). Wanneer dergelijk bewijs is verkregen door een maatregel die artikel 3 schendt, blijft het privilege tegen zelfbeschuldiging echter van toepassing (zie ook Jalloh, reeds aangehaald, §§ 105, 108, 115-16).

68.  In gevallen waarin het recht om zichzelf niet te beschuldigen van toepassing is (zie Jalloh, reeds aangehaald, §§ 110 13), heeft het Hof geoordeeld - met de aantekening dat het recht om zichzelf niet te beschuldigen niet absoluut is (zie Heaney en McGuinness tegen Ierland, nr. 34720/97, § 47, EHRM 2000 XII; Weh, reeds aangehaald, § 46, en O'Halloran en Francis, reeds aangehaald, § 53) - dat de mate van dwang die wordt toegepast onverenigbaar is met artikel 6 wanneer deze het wezen van het voorrecht tenietdoet (zie John Murray tegen het Verenigd Koninkrijk, 8 februari 1996, § 49, Jurispr. 1996 I). Niet elke directe dwang zal het wezen van het recht om niet tegen zichzelf te getuigen tenietdoen en dus leiden tot een schending van artikel 6. Wanneer het Hof onderzoekt of in een bepaalde procedure dwang de essentie van dit voorrecht teniet heeft gedaan, zal het met name rekening houden met de aard en de omvang van de dwang, het bestaan van relevante waarborgen in de procedure en, van cruciaal belang, het gebruik dat van het aldus verkregen materiaal wordt gemaakt (zie bijvoorbeeld Allan tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 48539/99, § 44, EHRM 2002 IX; Jalloh, reeds aangehaald, § 101; en Ibrahim e.a., reeds aangehaald, § 269).

(iii)  The privilege against self-incrimination and coercion to supply documents in the context of financial law matters


69.  In principle, the privilege against self-incrimination can also apply in situations of coercion to supply documents. In developing its case-law in financial law matters falling under the criminal head of Article 6 § 1 of the Convention, the Court has however made distinctions, in particular as to the pre-existence of such materials and as to whether the authorities were aware of their existence. The following case-law of the Court is of relevance in this context.


70.  The case of Funke (cited above) concerned compulsion in the shape of pecuniary penalties to produce foreign bank statements in the context of a suspicion of infringement of regulations governing foreign exchange controls. In its reasoning the Court placed emphasis on the fact that the customs authorities had sought documents which they believed must exist, although they were not certain of the fact, and that they had been “unable or unwilling” to procure them by means other than compelling the applicant himself to provide evidence. It held that the special features of customs law could not justify such an infringement of the right to remain silent and not to contribute to incriminating himself and concluded that Article 6 had been breached (ibid., § 44).
 

71.  In J.B. v. Switzerland (cited above) the tax authorities – having noted that the applicant had made investments with one P. and his companies that had not been declared – attempted to compel him by means of the imposition of fines to submit “all documents concerning the companies in which he had invested money” (ibid., § 65). In the applicant’s opinion, it was clear that the authorities suspected the existence of further items of income and assets which they could not prove, for which reason they requested the information. While the Court did not wish to speculate as to what the nature of such information would have been, it noted that the applicant could not exclude that, if it transpired from these documents that he had received additional income which had not been taxed, he might be charged with the offence of tax evasion. In view of the persistence with which the tax authorities attempted to achieve their aim, the Court remained unconvinced by the Government’s argument that it could not be said that the authorities had gone out on a “fishing expedition” (ibid., § 69). Against the above background, the Court found a violation of the right under Article 6 § 1 of the Convention not to incriminate oneself.


72. In Allen v. the United Kingdom (dec.), no. 76574/01, ECHR 2002?VIII, the Court held that the requirement on the applicant to make a declaration of his assets to the revenue service did not disclose any issue under Article 6 even though a separate penalty was attached to a failure to do so. The Court differentiated Allen from J.B. v. Switzerland on the grounds that the applicant in Allen had not been prosecuted for failing to provide information which might have incriminated him in pending or anticipated criminal proceedings but for the offence of making a false declaration of his assets, which was an offence itself. The Court held that the privilege does not act as a prohibition on the use of compulsory powers to require taxpayers to provide information about their financial affairs for the purpose of securing a correct tax assessment, noting that the obligation to make disclosure of income and capital for the purposes of the calculation and assessment of tax is a common feature of the tax systems of member States and it would be difficult to envisage them functioning effectively without it. The Court noted that “the privilege against self-incrimination cannot be interpreted as giving a general immunity to actions motivated by the desire to evade investigations by the revenue authorities”. The Court followed the Allen approach in King v. the United Kingdom (dec.), no. 13881/02, 8 April 2003, which also raised the issue of sanctioning the applicant for making an inadequate tax return.

 

 


73. In Chambaz (cited above) two fines were imposed on the applicant for his refusal to comply with a request from the Swiss fiscal authorities to submit all documents concerning his business dealings with a company and with banks which held assets on that company’s behalf. While appeal proceedings against the imposition of those fines were pending, the federal tax authorities opened an investigation against the applicant for tax evasion.

Relying on Article 6 § 1, the applicant complained of a violation of his right not to incriminate himself due to the fact that he had been fined for his refusal to produce the requested documents which could have been used against him in the investigation for tax evasion. On this point, the Court noted that by fining the applicant, the authorities had put him under pressure to furnish documents which would have provided information on his income and assets. While the Court did not wish to speculate as to the nature of that information, it considered that the applicant could not exclude that any information relating to additional income from non-taxed sources exposed him to being accused of having committed the offence of tax evasion and was of such a nature as to compromise his position in the investigation for tax evasion (ibid., §§ 53?54). Even though, when reiterating the general principles (ibid., § 52), it made a reference to Saunders (cited above, §§ 68?69), the Court did not refer to the distinction made in that judgment between material the existence of which is dependent on the will of the person concerned, such as replies to questions put, and material, such as already existing documents, that exists independently of that person’s will. It concluded that in the specific circumstances of the case there had been a violation of Article 6 § 1.

 

(iii) Het verbod op zelfbeschuldiging en dwang om documenten te verstrekken in het kader van financieelrechtelijke aangelegenheden

69.  In beginsel kan het recht om niet tegen zichzelf te getuigen ook gelden in geval van dwang om documenten te verstrekken. Bij de ontwikkeling van zijn rechtspraak in financieelrechtelijke zaken die onder de strafrechtelijke noemer van artikel 6, lid 1, van het Verdrag vallen, heeft het Hof echter onderscheid gemaakt, met name wat betreft het voorbestaan van dergelijke stukken en de vraag of de autoriteiten op de hoogte waren van het bestaan ervan. De volgende rechtspraak van het Hof is in dit verband van belang.

70.  De zaak Funke (reeds aangehaald) betrof de dwang in de vorm van geldboetes om buitenlandse bankafschriften over te leggen in het kader van een vermoeden van inbreuk op de regelgeving inzake deviezencontrole. In zijn redenering legde het Hof de nadruk op het feit dat de douaneautoriteiten documenten hadden opgevraagd waarvan zij meenden dat zij moesten bestaan, hoewel zij daar niet zeker van waren, en dat zij "niet in staat of niet bereid" waren geweest deze te verkrijgen met andere middelen dan de verzoeker zelf tot het leveren van bewijs te dwingen. Het oordeelde dat de bijzondere kenmerken van het douanerecht een dergelijke schending van het zwijgrecht en van het recht niet bij te dragen tot de belastende feiten niet konden rechtvaardigen en concludeerde dat artikel 6 was geschonden (ibid., § 44).

71.  In de zaak J.B. tegen Zwitserland (reeds aangehaald) heeft de belastingdienst - na te hebben vastgesteld dat verzoeker bij ene P. en diens vennootschappen investeringen had gedaan die niet waren aangegeven - getracht hem door middel van het opleggen van geldboeten te dwingen "alle documenten betreffende de vennootschappen waarin hij geld had geïnvesteerd" over te leggen (ibid., § 65). Volgens verzoeker was het duidelijk dat de autoriteiten het bestaan vermoedden van andere inkomsten en activa die zij niet konden bewijzen, om welke reden zij de informatie opvroegen. Hoewel het Hof niet wenst te speculeren over de aard van deze informatie, merkt het op dat verzoeker niet kan uitsluiten dat hij, indien uit deze documenten zou blijken dat hij extra inkomsten heeft ontvangen die niet zijn belast, kan worden beschuldigd van belastingontduiking. Gezien de hardnekkigheid waarmee de belastingdienst zijn doel trachtte te bereiken, was het Hof niet overtuigd door het argument van de regering dat niet kon worden gezegd dat de autoriteiten op "fishing expedition" waren gegaan (ibid., § 69). Tegen deze achtergrond stelde het Hof een schending vast van het recht van artikel 6, lid 1, van het Verdrag om zichzelf niet te beschuldigen.

72.  In Allen tegen het Verenigd Koninkrijk (dec.), nr. 76574/01, EHRM 2002 VIII, oordeelde het Hof dat de eis aan verzoeker om een verklaring over zijn vermogen af te leggen aan de belastingdienst geen kwestie van artikel 6 aan het licht bracht, ook al was er een afzonderlijke sanctie verbonden aan het nalaten daarvan. Het Hof onderscheidde Allen van J.B. tegen Zwitserland op grond dat de verzoeker in Allen niet was vervolgd voor het niet verstrekken van informatie die hem in een lopende of te verwachten strafprocedure zou kunnen beschuldigen, maar voor het strafbare feit van het doen van een onjuiste vermogensaangifte, wat op zich al een strafbaar feit was. Het Hof is van oordeel dat het voorrecht geen belemmering vormt voor het gebruik van dwangmiddelen om belastingplichtigen te verplichten inlichtingen over hun financiële situatie te verstrekken met het oog op een juiste belastingaanslag, en merkt op dat de verplichting om inkomsten en vermogen bekend te maken met het oog op de berekening en de vaststelling van de belasting een gemeenschappelijk kenmerk van de belastingstelsels van de lidstaten is en dat het moeilijk voorstelbaar is dat deze stelsels zonder dit voorrecht doeltreffend zouden functioneren. Het Hof merkt op dat "het privilege tegen zelfbeschuldiging niet aldus kan worden uitgelegd dat het een algemene immuniteit verleent aan handelingen die zijn ingegeven door de wens om zich aan het onderzoek van de belastingdienst te onttrekken". Het Hof volgde de benadering van Allen in King/Verenigd Koninkrijk (dec.), nr. 13881/02, 8 april 2003, waarin ook de kwestie van de sanctionering van de verzoeker wegens het indienen van een ontoereikende belastingaangifte aan de orde was.

73.  In de zaak Chambaz (reeds aangehaald) zijn aan verzoeker twee geldboeten opgelegd omdat hij weigerde te voldoen aan een verzoek van de Zwitserse belastingautoriteiten om alle documenten over te leggen betreffende zijn zakelijke betrekkingen met een vennootschap en met banken die voor rekening van die vennootschap activa aanhielden. Tijdens de beroepsprocedure tegen de oplegging van deze boetes heeft de federale belastingdienst tegen verzoeker een onderzoek ingesteld wegens belastingontduiking.

Met een beroep op artikel 6, lid 1, klaagde verzoeker over een schending van zijn recht om niet tegen zichzelf te getuigen, aangezien hij was beboet wegens zijn weigering om de gevraagde documenten over te leggen, die tegen hem hadden kunnen worden gebruikt in het kader van het onderzoek naar belastingontduiking. Dienaangaande merkt het Hof op dat de autoriteiten door verzoeker een geldboete op te leggen hem onder druk hebben gezet om documenten over te leggen die informatie over zijn inkomen en vermogen zouden hebben opgeleverd. Hoewel het Hof niet wenste te speculeren over de aard van die informatie, was het van oordeel dat verzoeker niet kon uitsluiten dat alle informatie over aanvullende inkomsten uit niet-belaste bronnen hem blootstelde aan de beschuldiging van belastingontduiking en van dien aard was dat zijn positie in het onderzoek naar belastingontduiking in gevaar kwam (ibid., §§ 53 en 54). Hoewel het Hof bij het herhalen van de algemene beginselen (ibid., § 52) heeft verwezen naar Saunders (reeds aangehaald, §§ 68 69), heeft het niet verwezen naar het in dat arrest gemaakte onderscheid tussen materiaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de betrokkene, zoals antwoorden op gestelde vragen, en materiaal, zoals reeds bestaande documenten, dat onafhankelijk van de wil van die persoon bestaat. Hij concludeert dat in de specifieke omstandigheden van het geval sprake is van schending van artikel 6, lid 1.

(iv) Summary of the above case-law

74.  In order for an issue to arise from the perspective of the privilege against self-incrimination, there must be some form of coercion or compulsion exerted on the person concerned. It is furthermore required that either that person is subject to existing or anticipated criminal proceedings – that is to say, a “criminal charge” within the autonomous meaning of Article 6 § 1 –, or incriminating information compulsorily obtained outside the context of criminal proceedings is used in a subsequent criminal prosecution (see paragraph 65 above). These may be considered the two prerequisites for the applicability of the privilege against self-incrimination (see, for instance, Eklund v. Finland ((dec.), no. 56936/13, § 51, 8 December 2015).


75.  Where these prerequisites are met, it is necessary to determine whether the use of evidence obtained by means of coercion or compulsion should nevertheless be considered as falling outside the scope of protection of the privilege against self-incrimination. As it transpires from the Court’s case?law, the right not to incriminate oneself is primarily concerned with respecting the will of an accused person to remain silent. When methods of coercion are used with the aim of having an accused person answer questions or make testimonial statements, either orally or in writing, the will to remain silent is clearly not respected and the privilege against self-incrimination thus applies. The privilege does not, however, extend to the use in criminal proceedings of materials obtained from an accused through methods of coercion when these materials have an existence independent of his or her will (see paragraph 67 above).


76.  Where the use of documentary evidence obtained under threat of penalties in the context of financial law matters is concerned, it may further be deduced from the Court’s case-law (see paragraphs 69-73 above), that such use does not fall within the scope of protection of the privilege against self?incrimination where the authorities are able to show that the compulsion is aimed at obtaining specific pre-existing documents – thus, documents that have not been created as a result of the very compulsion for the purpose of the criminal proceedings – which documents are relevant for the investigation in question and of whose existence those authorities are aware. That situation is to be distinguished from the situation where the authorities attempt to compel an individual to provide the evidence of offences he or she has allegedly committed by forcing him or her to supply documents which they believe must exist, although they are not certain of it (see Funke, cited above, § 44, and J.B. v. Switzerland, cited above, § 69). The latter situation the Court has described as “fishing expeditions”. The Court considers that in that context a parallel may be drawn with testimonial evidence: when a person makes a statement which incriminates him or her, he or she is similarly providing the authorities with information of whose existence those authorities were not yet aware. Where the making of that statement came about as a result of coercion or compulsion, an issue arises under the privilege against self-incrimination, since, as set out above (see paragraph 66), it is incumbent on the prosecution in a criminal case to prove their case without resort to evidence obtained through such methods.



77. Lastly, it follows from the case-law that, regardless of whether or not the authorities are aware of the existence of documentary or other material evidence, if this has been obtained by methods in breach of Article 3, its use will always fall within the scope of the privilege against self-incrimination (see paragraph 67 above).

78. If the prerequisites for the applicability of the privilege against self?incrimination are met (see paragraph 74 above), and the use of evidence obtained through coercion or compulsion does fall within the scope of protection of that privilege (see paragraphs 75-76 above), it is necessary to examine whether the procedure did not extinguish the “very essence” of the privilege, that is to say, to determine the manner in which the overall fairness of the proceedings was affected. For this purpose, it will be necessary to have regard, in turn, to the factors set out in paragraph 68 above: the nature and degree of compulsion used to obtain the evidence; the existence of any relevant safeguards in the procedure; and the use to which any material so obtained is put.

 

(iv) Samenvatting van bovenstaande rechtspraak

74.  Opdat een kwestie uit het oogpunt van het verbod op zelfbeschuldiging aan de orde zou zijn, moet er sprake zijn van een of andere vorm van dwang of drang die op de betrokkene wordt uitgeoefend. Voorts is vereist dat tegen deze persoon een bestaande of te verwachten strafprocedure is ingesteld – dat wil zeggen een “criminal charge” in de autonome zin van artikel 6, lid 1 – of dat belastende informatie die onder dwang buiten het kader van een strafprocedure is verkregen, in een latere strafrechtelijke vervolging wordt gebruikt (zie punt 65 hierboven). Deze kunnen worden beschouwd als de twee voorwaarden voor de toepasselijkheid van het privilege tegen zelfincriminatie (zie bijvoorbeeld Eklund/Finland ((dec.), nr. 56936/13, § 51, 8 december 2015).

75.  Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, moet worden nagegaan of het gebruik van door middel van dwang of drang verkregen bewijsmateriaal niettemin moet worden geacht buiten de beschermingsomvang van het privilege tegen zelfbeschuldiging te vallen. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het recht om zichzelf niet te beschuldigen in de eerste plaats betrekking heeft op de eerbiediging van de wil van de verdachte om te zwijgen. Wanneer dwangmiddelen worden gebruikt om een verdachte mondeling of schriftelijk vragen te doen beantwoorden of verklaringen af te leggen, wordt de wil om te zwijgen duidelijk niet geëerbiedigd en is het recht om niet tegen zichzelf te getuigen van toepassing. Het privilege strekt zich echter niet uit tot het gebruik in strafprocedures van materiaal dat van een verdachte is verkregen door middel van dwang, wanneer dit materiaal een bestaan heeft onafhankelijk van diens wil (zie punt 67 hierboven).

76.  Wat betreft het gebruik van bewijsstukken die onder bedreiging met sancties zijn verkregen in het kader van financieelrechtelijke aangelegenheden, kan uit de rechtspraak van het Hof (zie de punten 69-73 hierboven) voorts worden afgeleid dat een dergelijk gebruik niet onder de bescherming van het recht tegen zelfbeschuldiging valt wanneer de autoriteiten kunnen aantonen dat de dwang is gericht op het verkrijgen van specifieke reeds bestaande documenten – dus documenten die niet zijn opgesteld als bewijsmateriaal, documenten die niet zijn opgesteld als gevolg van de dwang in het kader van de strafprocedure, die relevant zijn voor het betrokken onderzoek en waarvan de autoriteiten het bestaan kennen. Deze situatie moet worden onderscheiden van de situatie waarin de autoriteiten trachten een persoon te dwingen het bewijs te leveren van strafbare feiten die hij zou hebben gepleegd, door hem te dwingen documenten over te leggen waarvan zij menen dat zij moeten bestaan, hoewel zij daar niet zeker van zijn (zie het arrest Funke, reeds aangehaald, § 44, en het arrest J.B. tegen Zwitserland, reeds aangehaald, § 69). Deze laatste situatie heeft het Hof omschreven als “fishing expeditions”. Het Hof meent dat in dit verband een parallel kan worden getrokken met getuigenissen: wanneer iemand een verklaring aflegt die hem of haar belast, verschaft hij of zij de autoriteiten informatie over het bestaan waarvan deze autoriteiten nog niet op de hoogte waren. Wanneer het afleggen van deze verklaring het gevolg is van dwang of drang, rijst een probleem in verband met het recht tegen zelfbeschuldiging, aangezien, zoals hierboven uiteengezet (zie punt 66), het openbaar ministerie in een strafzaak zijn zaak moet bewijzen zonder gebruik te maken van bewijsmateriaal dat met dergelijke middelen is verkregen.

77.  Ten slotte volgt uit de rechtspraak dat, ongeacht of de autoriteiten al dan niet op de hoogte zijn van het bestaan van bewijsstukken of andere materiële bewijzen, het gebruik daarvan, indien het is verkregen door middel van met artikel 3 strijdige methoden, altijd binnen de werkingssfeer van het recht tegen zelfbeschuldiging valt (zie punt 67 hierboven).

78.  Indien aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het privilege tegen zelfbeschuldiging is voldaan (zie punt 74 hierboven), en het gebruik van door dwang of drang verkregen bewijsmateriaal binnen de werkingssfeer van de bescherming van dat privilege valt (zie punten 75-76 hierboven), moet worden nagegaan of de procedure niet het “wezenlijke” van het privilege heeft uitgehold, dat wil zeggen of de algemene eerlijkheid van de procedure is aangetast. Daartoe moet achtereenvolgens rekening worden gehouden met de in punt 68 genoemde factoren: de aard en de mate van dwang die is gebruikt om het bewijsmateriaal te verkrijgen; het bestaan van relevante waarborgen in de procedure; en het gebruik dat van het aldus verkregen materiaal wordt gemaakt.

 

 

(b)  Application of the above principles to the present case


79.  Turning to the present case, the Court notes that the applicant complained that, in breach of the privilege against self-incrimination, he had been ordered, by judgment, to provide under the threat of penalty payments documents to the domestic fiscal authorities which were used in tax proceedings in which fines were imposed on him (see paragraph 55 above). Relying on the Court’s case-law, he argued that there were no grounds for concluding that this situation fell outside the scope of the privilege against self-incrimination (see paragraph 56 above).

 


80.  The Court observes at the outset that the documents submitted by the applicant consisted of, firstly, two forms completed by the applicant in which he indicated that he had held a bank account at X Bank in Luxembourg and, secondly, bank statements and portfolio summaries relating to that account (see paragraph 19 above).

81.  There is, however, no indication whatsoever in the file that use was made of the two forms in order to establish intent on the part of the applicant as required for the imposition or re-setting of a tax fine as at issue (see paragraphs 21, 24, 27 and 35 above). Indeed, the Supreme Court explicitly stated that no use had been made of the forms for the imposition of the tax fine (see paragraph 31 at point 2.3.5. above). The domestic proceedings solely concerned the use of bank statements and portfolio summaries that had been drawn up by X Bank and related to an account of which the applicant had already been identified as an account holder. That being the case, no issue can arise as to a breach of the right not to incriminate oneself in relation to the forms submitted by the applicant.


82.  In examining whether the prerequisites for the applicability of the privilege against self-incrimination are met in so far as the use of the bank statements and portfolio summaries is concerned, the Court firstly observes that at the time the provisional measures judge ordered the applicant, on pain of penalty payments, to disclose documents relating to bank accounts held by him abroad after 31 December 1995 (see paragraph 18 above), a tax fine for his failure to comply with his obligations under section 47 of the Act in respect of capital tax for 1996 had already been imposed on him (see paragraph 13 above). Secondly, it observes that although, strictly speaking, it might be true that the order of the provisional measures judge did not relate to the capital tax adjustment and tax fine already imposed and in respect of which objection proceedings were pending, it is a matter of fact that those latter proceedings had been adjourned awaiting the outcome of the summary injunction proceedings (see paragraph 20 above). This adjournment enabled the Tax Inspector subsequently to make use, in the decision on the objection lodged by the applicant against the tax adjustment issued and the accompanying fine imposed for the year 1996 (see paragraph 13 above), of the bank statements and portfolio summaries that had been provided by the latter pursuant to the order of the provisional measures judge.

83.  As the Court has found above (see paragraph 47), the proceedings in which the applicant’s objection and appeals against the tax fine imposed on him were determined fell within the scope of Article 6 of the Convention under its criminal head. Further, the bank statements and portfolio summaries that were used for re-setting the fine were obtained from the applicant by means of compulsion, namely the order of the provisional measures judge for disclosure on pain of substantial penalty payments (see paragraph 18 above). In this context the Court reiterates that Article 6 § 1 – and thus also the right not to incriminate oneself – applies throughout the entirety of proceedings for “the determination of … any criminal charge”, including proceedings whereby a sentence is fixed (see Phillips v. the United Kingdom, no. 41087/98, § 39, ECHR 2001-VII, and Aleksandr Dementyev v. Russia, no. 43095/05, § 23, 28 November 2013). As such, the two prerequisites for applicability of the privilege against self?incrimination have been met (see paragraph 74 above).

84.  The Court will therefore next examine whether the use of the bank statements and portfolio summaries falls within the scope of the protection provided by that privilege (paragraphs 75–76 above).

85.  The Court has no doubt that these were pre-existing documents. It further considers that the authorities were aware of their existence since it had already been established that the applicant had held a bank account in Luxembourg at the relevant time (see paragraphs 6 and 12 above). It can therefore not be said that the authorities were engaging in a “fishing expedition” when they instituted summary injunction proceedings in order for the provisional measures judge to order the applicant to submit certain documents in relation to that account (see paragraph 17 above). The order subsequently issued by the provisional measures judge, moreover, specifically indicated what documents the applicant was to supply (see paragraph 18 above). The present case can thus be distinguished from the cases of J.B. v. Switzerland (where the applicant was to provide all documents which he had concerning certain companies; see paragraph 71 above) and Chambaz (where the applicant was fined for his failure to submit all documents concerning his business dealings with a particular company and with banks which held assets on that company’s behalf; see paragraph 73 above). Lastly, the imposition of penalty payments which the applicant would incur if he failed to comply with the order of the provisional measures judge (see paragraph 18 above) cannot be considered to amount to treatment in breach of Article 3 of the Convention (see paragraph 77 above).



86.  For the above reasons the Court finds that in the circumstances of the present case the use of the bank statements and portfolio summaries concerning the applicant’s account with X bank that were obtained from him by a judicial order for disclosure on pain of penalty payments does not fall within the scope of the protection of the privilege against self-incrimination. There is, therefore, no reason for the Court to proceed to the examination as set out in paragraph 78 above.

87.  In the light of the foregoing considerations, the Court concludes that it cannot be said that, due to the use of the aforementioned documents, the applicant was deprived of a fair trial.

88.  Accordingly, the Court finds that there has been no violation of Article 6 § 1 of the Convention.

 

 

(b) Toepassing van bovenstaande beginselen op de onderhavige zaak

79.  Wat de onderhavige zaak betreft, merkt het Hof op dat verzoeker zich erover beklaagt dat hij, in strijd met het recht om zichzelf niet te belasten, bij vonnis is gelast om onder bedreiging met dwangsommen aan de nationale belastingautoriteiten documenten te verstrekken die zijn gebruikt in een belastingprocedure waarin hem boetes zijn opgelegd (zie punt 55 hierboven). Met een beroep op de rechtspraak van het Hof betoogde hij dat er geen gronden waren om te concluderen dat deze situatie buiten de werkingssfeer van het privilege tegen zelfbeschuldiging viel (zie punt 56 hierboven).

 

80.  Het Hof merkt om te beginnen op dat de door verzoeker overgelegde documenten bestonden uit, enerzijds, twee door verzoeker ingevulde formulieren waarin hij aangaf dat hij een bankrekening had bij X Bank in Luxemburg en, anderzijds, bankafschriften en portefeuilleoverzichten met betrekking tot die rekening (zie punt 19 hierboven).

81.  Het dossier bevat echter geen enkele aanwijzing dat de twee formulieren zijn gebruikt om de opzet van verzoeker vast te stellen, zoals vereist voor het opleggen of opnieuw vaststellen van een fiscale boete als in geding (zie de punten 21, 24, 27 en 35 hierboven). De Hoge Raad heeft immers uitdrukkelijk verklaard dat geen gebruik is gemaakt van de formulieren voor het opleggen van de fiscale boete (zie punt 31 hierboven). De nationale procedure betrof uitsluitend het gebruik van bankafschriften en portefeuilleoverzichten die door X Bank waren opgesteld en betrekking hadden op een rekening waarvan verzoekster reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd. Derhalve kan er geen sprake zijn van een schending van het recht om zich niet te bezondigen aan de door verzoeker ingediende formulieren.

82.  Bij het onderzoek of is voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, wat het gebruik van de bankafschriften en portefeuilleoverzichten betreft, merkt het Hof in de eerste plaats op dat op het tijdstip waarop de voorzieningenrechter verzoeker op straffe van een dwangsom heeft gelast om documenten over bankrekeningen die hij na 31 december 1995 in het buitenland aanhield, openbaar te maken (zie punt 18 hierboven), hem reeds een fiscale geldboete was opgelegd wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen krachtens artikel 47 van de wet met betrekking tot de vermogensbelasting over 1996 (zie punt 13 hierboven). In de tweede plaats merkt hij op dat de beschikking van de voorzieningenrechter weliswaar strikt genomen geen betrekking had op de reeds opgelegde correctie van de vermogensbelasting en de fiscale boete, waarvoor een bezwaarprocedure aanhangig was, maar dat laatstgenoemde procedures waren aangehouden in afwachting van de uitkomst van het kort geding (zie punt 20 hierboven). Door dit uitstel kon de inspecteur vervolgens bij de beslissing op het bezwaar van verzoekster tegen de opgelegde belastingcorrectie en de bijbehorende boete over het jaar 1996 (zie punt 13 hierboven) gebruik maken van de bankafschriften en portefeuilleoverzichten die verzoekster ingevolge de beschikking van de voorzieningenrechter had verstrekt.

83.  Zoals het Hof hierboven heeft vastgesteld (zie punt 47), viel de procedure waarin verzoekers bezwaar en beroep tegen de hem opgelegde fiscale boete werden behandeld, binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het Verdrag, onder het kopje strafrecht. Voorts zijn de bankafschriften en portefeuilleoverzichten die zijn gebruikt voor de herziening van de boete, van verzoeker verkregen door middel van dwang, namelijk het bevel van de voorzieningenrechter tot openbaarmaking op straffe van aanzienlijke dwangsommen (zie punt 18 hierboven). In dit verband herhaalt het Hof dat artikel 6, lid 1 - en dus ook het recht om niet tegen zichzelf te getuigen - van toepassing is op de gehele procedure tot "vaststelling van [...] enige tenlastelegging", met inbegrip van de procedure tot vaststelling van een straf (zie Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 41087/98, § 39, EHRM 2001-VII, en Aleksandr Dementyev tegen Rusland, nr. 43095/05, § 23, 28 november 2013). Daarmee is voldaan aan de twee voorwaarden voor toepasselijkheid van het privilege tegen zelfbeschuldiging (zie punt 74 hierboven).

84.  Het Hof zal daarom vervolgens onderzoeken of het gebruik van de bankafschriften en portefeuilleoverzichten binnen de reikwijdte van de door dat voorrecht geboden bescherming valt (punten 75-76 hierboven).

85.  Het Hof twijfelt er niet aan dat het om reeds bestaande documenten gaat. Voorts is het Gerecht van oordeel dat de autoriteiten op de hoogte waren van het bestaan ervan, aangezien reeds was vastgesteld dat verzoeker in de betrokken periode een bankrekening in Luxemburg had (zie de punten 6 en 12 hierboven). Derhalve kan niet worden gesteld dat de autoriteiten een "fishing expedition" hebben verricht toen zij een kort geding hebben aangespannen om de voorzieningenrechter te gelasten verzoeker bepaalde documenten in verband met deze rekening over te leggen (zie punt 17). In de beschikking die de voorzieningenrechter vervolgens heeft gegeven, werd bovendien specifiek aangegeven welke documenten verzoekster diende over te leggen (zie punt 18). Het onderhavige geval kan dus worden onderscheiden van de zaken J.B./Zwitserland (waarin verzoeker alle documenten waarover hij beschikte met betrekking tot bepaalde ondernemingen moest overleggen; zie punt 71 hierboven) en Chambaz (waarin verzoeker een geldboete is opgelegd omdat hij niet alle documenten had overgelegd met betrekking tot zijn zakelijke betrekkingen met een bepaalde onderneming en met banken die voor rekening van die onderneming activa aanhielden; zie punt 73 hierboven). Ten slotte kan de oplegging van dwangsommen die verzoeker zou moeten betalen indien hij het bevel van de voorzieningenrechter niet zou naleven (zie punt 18 hierboven) niet worden beschouwd als een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag (zie punt 77 hierboven).

86.  Om bovenstaande redenen is het Hof van oordeel dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak het gebruik van de bankafschriften en portefeuilleoverzichten betreffende verzoekers rekening bij X bank, die van hem zijn verkregen door een rechterlijk bevel tot openbaarmaking op straffe van een dwangsom, niet onder de bescherming van het voorrecht tegen zelfbeschuldiging valt. Er is dus geen reden voor het Gerecht om over te gaan tot het in punt 78 bedoelde onderzoek.

87.  In het licht van het voorgaande concludeert het Hof dat niet kan worden gezegd dat verzoeker door het gebruik van voornoemde documenten een eerlijk proces is onthouden.

 

88.  Bijgevolg stelt het Hof vast dat artikel 6, lid 1, van het Verdrag niet is geschonden.